Image 01 Image 02 Image 03 Image 04 Image 05 Image 06 Image 07
Legende
Diest

Het Wonderkruis van Diest

Begijnhof van Diest

Begijnhof van Diest (Foto: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed)

’t Was ten tijde dat de Geuzen
Hunnen dullen kerkenhaat
Vrijen toom in ’t stroopen gaven,
Tijd van weedom en verraad...
Op den Diester Toeterstoren
Had de wacht iets vreemd gemeld,
En van op de vesten, loerden
Boer en poorter naar het veld.
Ginder, langs den kant van Halen,
Nadert statig, God weet, wat;
Daar, die wolk van stof, die langzaam
Afdrijft naar de Demerstad.
En ’t gevaarte staakt zijn nadren
Plotseling, of ’t niet weet waarheen,
En daar drijft het stofgewemel
Traagzaam op de baan uiteen.
Hemel! Is ’t geen kettrenleger
Rustend op den heuvlenkring?
Fonklen ginder geen musketten
Dreigend in het zongesching?
En de burgers, wen zij ’t zagen,
Grepen bevend naar ’t geweer,
En de vrouwen op de straten
Liepen kermend heen en weêr.
Juffer Kerckelmans, de vrome,
Welke, op ’t Dietsch beggijnenhof,
Door heur heiligheid van leven
Al de zusters overtrof,
Had het wreede nieuws vernomen,
En was ook ter kerk gegaan;
En zij schouwde toch zoo vurig
’t Overgroote Kruisbeeld aan,
Dat sinds eeuwen, aan de wanden
Van den tempel nederhong,
En ze kuste Jezus’ voeten,
Die ze aan heuren boezem wrong;
En ze bad: “O Heere! Spaar ons,
Red ons leven; help de stad,
Lever ons niet aan den booze,
Die de Roomsche leer vertrad!”
En daar rilde door de bidplaats
Lijk een heimlijk windgeruisch,
Of er englenscharen dreven
Naar het oude Kristi Kruis.
Plotsling stonden aller oogen
Naar het heilig beeld gericht,
Zag men eenen lichtkrans zweven
Rond het godlijk aangezicht.
En de zuster ging maar immer
In heur vurig bidden voort,
Zwoer: “Mijn God, ik zal niet heengaan,
Eer gij mijn gebed verhoort.”
En, o wonder, bij haar smeeken
Neeg het hoofd van onzen Heer,
De arme stede hulp belovend,
Naar de vrome zuster neêr.
En de burgers die, al biddend
In de ruime kerk geknield,
Zagen hoe het beeld van Kristus
Wonderdadig werd bezield,
Vloden juublend uit den tempel,
Kondden ’t wonder wijd en zijd,
En der zegepraal verzekerd,
Wachtten driftig naar den strijd.
Doch als zij ter veste kwamen,
Zocht hun oog vergeefs in ’t rond,
Of het heir, dat Diest kwam plundren,
Nog niet stormensvaardig stond.
En een stofwolk, steeds verkleinend,
Langzaam drijvend naar ’t verschiet,
Kon hun enkel nog berichten,
Dat de Geus het land verliet.

Bron: 

Vincx, J.-F. (1906). Sagen en Legenden uit het Hageland. Lier: Jozef Van In & Cie.

© 2019 Filip Gybels